De peuterjuf kijkt ….. vooruit en terug

Met het vooruitkijken maar de peuter een ‘plan’ waar, wat en met wie hij of zij wil gaan spelen tijdens het speelwerken.

Door het vooruitkijken:
– stimuleer je ideeën, keuzes en beslissingen verbaal en non-verbaal duidelijk te maken
– wordt het zelfvertrouwen en gevoel van eigen handelen versterkt
– vergroot de betrokkenheid en concentratie bij het spelen

– Stel open en taal uitlokkende vragen over het gemaakte plan van de peuter
– Accepteer de wijze van hun plan weergeven en help ze het plan uit te breiden

Hieronder 20 manieren om vooruit te kijken. Je kunt deze manieren ook gebruiken om terug te kijken op het speelwerken en hun gemaakte plan (zie onderaan deze blog voor meer informatie over het terugkijken)

1. Wekker
De kinderen doen alsof ze slapen. De juf laat de wekker afgaan en wekt de kinderen één voor één. Ze vraagt wat de kinderen van plan zijn om te gaan doen.

2. Raadspelletje
Pak wat voorwerpen uit de verschillende groepen en laat de kinderen raden uit welke hoek het voorwerp komt. Wat kun je ermee doen? Wie zou wel in deze hoek willen spelen? Wat ga je dan doen?

3. Rollenspel
De kinderen mogen een rol spelen (de juf, een politie, etc) en vertellen in de rol wat hun plannetje is voor het speelwerken.

4. Trommel
-De kinderen houden een optocht door het lokaal met een kind voorop die de trommel slaat. Het kind voorop mag naar de hoek lopen waar het wil spelen. Dan mag het volgende kind de trommel slaan en naar de hoek naar keuze lopen.
– Alle kinderen mogen al trommelend vertellen waar ze willen spelen.

5. Onder de tafel/tent
De kinderen gaan met de juf onder de tafel zitten. Daar vertellen ze elkaar hun plannetje.

6. Plattegrond
Maak zelf een plattegrond met de verschillende groepen erop.
– Laat door de kinderen een poppetje lopen op de plattegrond naar de hoek waar ze graag willen spelen. Laat ze dan vertellen wat ze gaan doen.
– Laat de kinderen een blokje plaatsen op de plattegrond waar ze willen gaan spelen. Tel daarna de opgestapelde blokken. In welke hoek gaan de meeste kinderen spelen? En waar de minste?

7. Smartphone/Tablet
– Maak een foto van de kinderen in de hoek van hun keuze. Maak tijdens het spelen kleine filmpjes of foto’s en gebruik deze bij het terugkijken.

8. Voeldoos
Zorg dat er in een doos voorwerpen van elke hoek zit. De kinderen raden dan om beurten wat het voorwerp is en in welke hoek het voorwerp hoort. Daarna vertellen ze hun plan.

9. Zaklantaarn
Laat met een zaklantaarn schijnen op de hoek waar de peuter wil gaan spelen.

10. Knuffels/vingerpopje
De knuffel van de peuter (elke peuter heeft een knuffel of vingerpopje) en vertelt aan de knuffel van de juf waar ze willen gaan spelen.

11. Foto’s
– Als je foto’s gebruikt op je  groep om te laten zien welke kinderen er zijn die dag, dan kan je die foto’s gebruiken om de kinderen te laten kiezen waar ze willen spelen. Ze kunnen de foto op het plaatje bij de hoek hangen.
– Of ze plakken de foto op de plattegrond (tip #6)
– Stop de foto’s in een zakje. De juf haalt er een foto uit; deze peuter mag zijn of haar plan vertellen.

12. Vervoersmiddel
– Laat de kinderen in een rij lopen (kan in een boot zijn, trein, auto, bus, etc.) lopen jullie langs de hoek waar een kind wil spelen dan kan de peuter ‘uitstappen’.

13. Kaartjes
Maak afbeeldingen van de hoeken op kaarten. Leg de kaarten omgekeerd neer of stop ze in een zak. Welke hoek staat op het kaartje? Wie wil daar gaan spelen?

14. Hoeden
– Zorg voor een groot assortiment hoeden in een doos. Laat alle kinderen een hoed opzetten en elkaar om de beurt vertellen waar ze willen gaan spelen.
– Eén hoed dient als planhoed. De peuter die een plan gaat maken mag de hoed opzetten. Daarna geeft de peuter de hoed aan een andere peuter.

15. Balletje
Terwijl jullie aan tafel zitten rollen de peuters een tennisbal naar elkaar. De peuter die de tennisbal vast heeft mag vertellen waar hij/zij wil vertellen.

16. Kleuren
De juf vertelt welke peuters met bijvoorbeeld een rood t-shirt hun plan mag vertellen. Daarna benoemt ze andere kleuren.

17. Verrekijker
Gebruik een verrekijker om de peuter naar de hoek te laten zoeken waar hij of zij wil gaan spelen. Je kunt eenvoudig een verrekijker maken door een lege keuknrolkoker te gebruiken of twee lege toiletrolletje aan elkaar vast gemaakt.

18. Vooruitkoffertje
Leg in een koffertje verschillende voorwerpen van de hoeken. Benoem samen de voorwerpen en in welke hoeken ze thuishoren. Laat de peuters kiezen waar ze willen spelen.

19. Microfoon
Zorg voor een (echo)microfoon. De juf kan nu de peuter ondervragen waar hij of zij wil spelen.

20. Hoepel
Plak een stuk papier om een hoepel. Ga nu samen in de kring zitten en laat iedereen de hoepel vasthouden. Zing nu samen een liedje en laat de hoepel draaien in de kring. Als het liedje is afgelopen, dan wordt de hoepel stilgehouden. Bij diegene die nu bij het stukje papier aan de hoepel zit mag zijn of haar plannetje vertellen.

21. Evenwichtsbalk
Plak een stuk tape op de grond en doe net of dit een evenwichtsbalk is. De peuter die erover heen loopt en de overkant haalt mag zijn of haar plan vertellen.

22. De kralenketting
Maak samen een kralenketting. Een peuter die zijn plan vertelt mag een kraal aan de ketting rijgen.

23. Spijker inslaan
Zorg voor een zacht board waarop je de plattegrond van de hoeken plakt. Laat de kinderen een spijker slaan in de hoek waar ze willen spelen.

24. Rolmaat
Laat de kinderen een rolmaat te trekken naar de hoek waar ze willen spelen. De juf houdt de rolmaat aan de andere kant vast.

25. Versje
Zing samen dit liedje en laat dan de peuters afzonderlijk hun plan vertellen
3 x 3 = 9
En ieder maakt zijn plan
3 x 3 = 9
en (naam) maakt zijn/haar plan
En (naam) mag ’n plannetje maken troelala troelala
En (naam) mag ’n plannetje maken troelala troelalala

Terugkijken
Tijdens het terugkijken kijk je samen met de peuter terug op het speelwerken en het gemaakte plan. Daarbij kun je gebruik maken van de bovenstaande manieren van vooruitkijken. Je past ze dan aan om ze geschikt te maken voor het terugkijken.
In plaats van vragen waar ze gaan spelen, vraag je waar ze gespeeld hebben en wat en met wie ze hebben gespeeld. Tijdens het speelwerken observeer je de kinderen zodat je tijdens het terugkijken kunt inhaken op dat wat je gezien hebt. Stel ook bij het terugkijken open en taal uitlokkende vragen.

Belang terugkijken: herinnering over wat ze gedaan hebben ophalen – nadenken over wat ze hebben meegemaakt – verbanden leggen tussen hun gemaakte plan en wat ze uiteindelijk hebben gedaan

De manieren van vooruit- en terugkijken komen uit de inspirerende bijeenkomsten tijdens de opleiding Kaleidoscoop, georganiseerd door het NJI (Nederlands Jeugd Instituut)